De arbeidsmarkt schreeuwt om vakmensen. Of het nu gaat om de techniek, de zorg of de energietransitie; overal zijn tekorten die de economische groei en maatschappelijke vooruitgang remmen. Binnen het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) is het besef allang doorgedrongen dat we het niet gaan redden met alleen de instroom van jonge schoolverlaters. De oplossing ligt in het concept ‘leven lang leren’, waarbij volwassenen gedurende hun hele carrière blijven werken aan hun vaardigheden of zich zelfs compleet laten omscholen. Voor onderwijsinstellingen en bedrijven vraagt dit om een flexibele aanpak, waarbij leren niet meer iets is dat je alleen tussen je zestiende en twintigste doet, maar een continu proces is dat geïntegreerd is in het werkende leven.
Flexibiliteit in het onderwijsaanbod
Volwassenen die zich willen omscholen, hebben vaak al een vol leven met een baan, een gezin en een hypotheek. Ze kunnen niet zomaar vijf dagen per week in de schoolbanken gaan zitten. Het MBO speelt hierop in door modulaire opleidingen en avondtrajecten aan te bieden. De balans tussen inspanning en ontspanning is hierbij cruciaal om uitval te voorkomen. Na een lange werkdag en een avondstudie is het belangrijk om het hoofd even leeg te maken. Even scrollen door het nieuws, een serie kijken of de laatste f1 tijden checken om te zien hoe de kwalificatie is verlopen; deze kleine momenten van afleiding zijn nodig om de mentale batterij weer op te laden voor de volgende studiedag.
De rol van de werkgever
Het succes van leven lang leren valt of staat met de bereidheid van werkgevers om te investeren in hun personeel. Het oude idee dat je iemand opleidt voor de concurrent, maakt langzaam plaats voor het inzicht dat stilstand achteruitgang is. Bedrijven die tijd en budget vrijmaken voor scholing, binden hun medewerkers juist aan zich. Bovendien zorgt de snelle technologische ontwikkeling ervoor dat kennis van vijf jaar geleden nu al verouderd kan zijn. Door samen te werken met ROC’s en vakopleidingen kunnen bedrijven maatwerk leveren dat direct toepasbaar is op de werkvloer. Dit vraagt om een cultuuromslag waarbij leren wordt gezien als werken, en niet als iets wat in de eigen tijd moet gebeuren.
Erkenning van Verworven Competenties (EVC)
Een belangrijk instrument om de drempel voor omscholing te verlagen, is het beter waarderen van wat mensen al kunnen. Via EVC-trajecten (Erkenning van Verworven Competenties) kan werkervaring worden omgezet in officiële certificaten. Iemand die al jaren in de bouw werkt zonder diploma, hoeft dan niet meer te leren hoe hij een hamer vast moet houden, maar kan zich focussen op de theorie of nieuwe technieken die hij nog mist. Dit versnelt het opleidingstraject aanzienlijk en zorgt voor meer motivatie bij de kandidaat. Het MBO fungeert hierbij steeds meer als een valideringsinstituut dat kijkt naar competenties in plaats van alleen naar aanwezigheidsuren.
Soft skills zijn net zo belangrijk
Naast de harde vaktechnische kennis, ligt de focus bij omscholingstrajecten steeds vaker op de zogenaamde ‘soft skills’ of 21e-eeuwse vaardigheden. Samenwerken, kritisch denken en digitale geletterdheid zijn competenties die in elke sector van pas komen. Zeker voor mensen die een switch maken naar een compleet ander vakgebied, bijvoorbeeld van de bankwereld naar de zorg, zijn deze overdraagbare vaardigheden goud waard. Het onderwijs moet studenten niet alleen leren ‘hoe’ ze iets moeten doen, maar ook ‘waarom’, en hoe ze zich kunnen blijven aanpassen in een wereld die nooit stilstaat. Alleen zo creëren we een wendbare beroepsbevolking die klaar is voor de uitdagingen van morgen.

